Terug naar Blog van Jan Lambers

Het onverantwoorde risicobeleid

Gepubliceerd op:
Het onverantwoorde risicobeleid

In een kritische beschouwing vegen de Groninger hoogleraar Charles Vlek omgevingspsychologie en besliskunde en Robert Geerts van ingenieursbureau AVIV de vloer aan met het rapport over risicoanalyse betreffende de Groninger gaswinning waarop minister Kamp zijn besluit gebaseerd heeft om de gasproductie in Groningen nauwelijks terug te brengen.

In een kritische beschouwing vegen de Groninger hoogleraar Charles Vlek omgevingspsychologie en besliskunde en Robert Geerts van ingenieursbureau AVIV de vloer aan met het rapport over risicoanalyse betreffende de Groninger gaswinning waarop minister Kamp zijn besluit  gebaseerd heeft om de gasproductie in Groningen nauwelijks terug te brengen.

 

Inleiding

In een doorwrocht artikel van emeritus hoogleraar omgevingspsychologie en besliskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen Charles Vlek en van Robert Geerts van AVIV bv, ingenieursbureau voor risicoanalyses externe veiligheid en risicobeleid te Enschede,  in het blad  “Ruimtelijke veiligheid en risicobeleid”  wordt het door minister Kamp gevoerde risicobeleid met betrekking tot de Groninger gaswinning onevenwichtig en niet bevorderlijk voor een behoedzame aanpak van de Groninger aardbevingsproblematiek genoemd.

Vlek en Geerts gaan in het bijzonder in op het advies van Helsloot  en Melssen (H&M)  in hun rapport  van 2013 “Redelijk en begrijpelijk Groninger aardbevingsbeleid”,   dat de belangrijkste motivering  voor Kamp vormt om de gasproductie in 2015 met niet meer dan 3 mld.m3 te beperken.

 

De voorgeschiedenis

In januari 2013 schatte het Staatstoezicht op de Mijnen( SodM)  dat de kans op een beving met een kracht van tenminste 3,9 op de schaal van Richter voor dat zelfde jaar op 7% (1 op 14).

In reactie op de waarschuwing van het SodM liet minister Kamp de Tweede Kamer weten dat in afwachting van een dozijn nadere onderzoeken de gaswinning in 2013 niet zou worden beperkt, maar dat de NAM wel schade beperkende maatregelen en schadevergoedingen zou treffen jegens de Groninger bevolking. De minister gaf aan dat het Groningse aardgas buitengewoon belangrijk was voor de Nederlandse samenleving en voor diverse buurlanden, alsmede ook voor de staatskas. 

Vlek en Geerts hebben het  eindadvies van het SodM (2014a,b) nader bestudeerd, met name de daarin opgenomen  ‘Risico Analyse Aardgasbevingen Groningen’ van het SodM uit 2013, waaraan ook is bijgedragen door verschillende onafhankelijke deskundigen van KNMI, TNO, de NAM en ingenieursbureau ARUP. Zij citeren:  “Bij voortdurende gaswinning van zo’n 40 à 45 miljard m3 per jaar kunnen de komende 20 jaar steeds meer en ook zwaardere aardbevingen worden verwacht, met een geschatte kracht van 4 à 5 op de schaal van Richter. Bij een dergelijke beving kunnen er meerdere ernstig gewonden en zelfs doden vallen. Bovendien kan er grote schade ontstaan aan gebouwen, waterkeringen en leidingstelsels.

Hierbij refereren zij ook aan de visie van de onafhankelijke geoloog Houtenbos die zich baserend op de aardbevingsstatistieken in 2014 voor de periode 2014-2016  tot een nog hoger risico komt . Dat wil zeggen dat de kans op een beving sterker dan 4,1 (Richter)  circa 23% zou bedragen

 

Risico voor Huizinge veel groter dan van Schiphol

Overigens blijkt uit een grafiek in het SODM rapport waarbij het zogenaamde groepsrisico (GR) voor aardbevingen rondom Huizinge  wordt vergeleken met de groepsrisico's voor Schiphol, landelijke overstromingen en die van grote industriële inrichtingen , dat dit risico van Huizinge aanzienlijk groter is dan voor Schiphol.

Zoals bekend op 4 oktober 1992 stortte vanaf Schiphol een vliegtuig in de Bijlmermeer neer wat tenminste 43 mensen het leven kostte.

Het risico voor Huizinge ligt dan ook beduidend boven de maatschappelijk aanvaardbaar geachte risiconorm dat de kans op 100 doden niet groter mag zijn dan slechts één keer in de miljoen jaar. Die kans zou in Huizinge namelijk eens in de duizend jaar zijn,  dat is dus duizend keer meer dan deze norm. Ook Vlek en Gorter concluderen uit deze grafiek dat de kans op een aardbeving met tussen de 10 en circa 100 doden duidelijk hoger is dan de kans op een vergelijkbaar aantal doden door een vliegtuigcrash nabij Schiphol.

Ondanks deze alarmerende zienswijze gaat de minister niet over tot het beperken van de productie. Integendeel achteraf blijkt dat de productie juist met maar liefst 10% t.o.v. 2012 is  verhoogd.

Pas in januari 2014, dat is iets meer dan een jaar na de publicatie van  het alarmerende advies van de SodM , komt de minister met zijn voorlopige besluit, waarin hij de productie bij Loppersum met 80% reduceert , maar de productie daarentegen in het zuidelijke deel van het veld opvoert, waardoor de productiebeperking per saldo slechts uitkomt op een paar miljard m3.

 

Reactie provincie Groningen

In haar officiële zienswijze op het Ontwerp-Instemmingsbesluit (EZ, 2014b) voert de Provincie Groningen (2014) aan dat het gewijzigd winningsplan van de NAM (2013b) een volledige risicoanalyse ontbeert, dat Helsloot en Melssen (2013) een ‘kale’ risicobenadering volgen en dat een passend kader van risiconormen “in termen van kans maal effect” en acceptatiecriteria dringend nodig is.

De Provincie vreest dat verlegging van de gaswinning naar het zuiden de seismische dreiging op termijn zal vergroten en spreekt van een “schijnbaar minimale beperking van de productie”, waarbij het voorzorgsbeginsel “niet voldoende in acht wordt genomen.”

Die visie van de provincie bleek juist. Op 30 september 2014  werd de stad getroffen door een aardbeving met als gevolg enige duizenden schademeldingen.

 

Minister baseert zich op aanvechtbaar rapport

Omdat de minister zwaar leunt  op het rapport van H&M richt de kritiek zich vervolgens op de inhoud van dit rapport. Hierin gaat het onder meer om de volgende passage in dit rapport:“De aardbevingen door gaswinning in Groningen vormen een groter risico dan tot nog toe werd gedacht. Voor zo’n onzeker, veelzijdig en verstrekkend, ‘systemisch’ risico is nieuw risicobeleid nodig.

Het rapport vervolgt dan met  "Omdat het aardbevingsrisico de komende paar jaar ‘hoogstens beperkt’ zal toenemen en volgens ‘tentatieve berekeningen’ aanvaardbaar lijkt in vergelijking met externe risico’s in andere domeinen (b.v. luchtvaart, waterkeringen, industriële installaties), zijn voor de korte termijn geen extra veiligheidsmaatregelen nodig, ook niet uit voorzorg − gezien de grote maatschappelijke belangen". 

Vlek en Geerts bekritiseren in de eerste plaats de gevolgtrekking dat vanwege het grote maatschappelijke belang de gaswinning voorlopig moet kunnen doorgaan. Maar bij het door H&M  bepleite adaptieve risicobeleid zou evenzeer de tegenovergestelde gevolgtrekking mogelijk kunnen zijn vinden zij.

Die is om de gaswinning zo spoedig mogelijk en tijdelijk zo veel mogelijk te verminderen (met vertraagde effecten op het aardbevingsrisico) en om in 2014-2016 al het redelijke te doen om niet alleen de waarschijnlijkheid en de zwaarte van mogelijke aardbevingen maar ook de mogelijk schade en verliezen van eventuele bevingen aanzienlijk te verkleinen. Pas daarna zou kunnen worden besloten om de gaswinning op de oude voet, dan wel minder volumineus, voort te zetten.

Een zodanig voorzorgsbeleid zou vereisen dat tijdelijk vanuit andere bronnen wordt voorzien in de noodzakelijke aardgasbehoeften. De kosten daarvan zouden moeten worden afgewogen tegen de jarenlange extra kosten van materiële schade, schadepreventie, risicocompensatie en verlies aan levenskwaliteit en economisch perspectief bij ‘normale’ voortzetting van de gaswinning.

In het rapport van H&M wordt weliswaar erkend dat de algemeen maatschappelijke norm geldt van 1 op 100.000, wat zou betekenen dat in het gaswinningsgebied Groningen, waar ongeveer 100.000 mensen wonen, gemiddeld een dode per jaar t.g.v. aardbevingen aanvaardbaar zou zijn, maar dat vanwege het nationale belang van de gaswinning deze norm zou mogen worden overschreden.

Vervolgens wordt ook een ander deel in dit rapport gehekeld. Dat betreft de consequentie die H&M verbinden aan het feit  dat op dit moment  nog onvoldoende hard wetenschappelijk inzicht bestaat in omvang en beheersmogelijkheden van het aardbevingsrisico ten gevolge van gaswinning in Groningen. Desondanks concluderen H&M  “..dat bij een gelijkblijvend productieniveau het aardbevingsrisico met grote zekerheid de aankomende twee tot drie jaar hoogstens beperkt zal toenemen”  en "dat een significante vermindering van de gasproductie pas na een aantal jaren tot vermindering van het aardbevingsrisico zal leiden".

Vlek en Geerts zien dit als een schoolvoorbeeld voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel: ‘Better safe than sorry’ en verwijzen wat dit betreft naar Unesco-COMEST (2005) waar dit principe als volgt verwoord is:

“When human activities may lead to morally unacceptable harm that is scientifically plausible but uncertain, actions shall be taken to avoid or diminish that harm.” 

 

Concluderend

Uit dit kritische betoog uit wetenschappelijke en onbevooroordeelde hoek  mag geconcludeerd worden dat de basis waarop de minister van Economische Zaken zijn gaswinningsbesluit om de gasproductie met slechts 7% te verlagen heeft gebaseerd onverantwoord smal is. De Tweede Kamer zou alleen al hierom dit besluit niet  mogen accepteren.

Los daarvan wordt in dit artikel veel munitie aangedragen waar de Raad van State waarschijnlijk goed raad mee zou weten als het tot de gewenste beroepsprocedure bij dit hoogste rechtscollege op bestuurlijk gebied in ons land komt.  

Jan Lambers

 

Welke partijen zijn de stem van Groningen waard ?

Welke partijen zijn de stem van Groningen waard ?
De Partij voor het Noorden heeft aan de hand van de standpunten van de landelijke partijen met betrekking tot de gaswinning en de daarmee samenhangende problemen en met betrekking tot het Noorden in  het algemeen een beoordeling opgemaakt welke partijen de stem van de Groninger en van allen die met Groningen solidair willen zijn waard zijn.    
 

Basisinkomen voor Oost-Groningers?

Basisinkomen voor Oost-Groningers?
De Zwitserse bevolking heeft in het referendum over een in te voeren basisinkomen met grote meerderheid tegen gestemd.Een begrijpelijke reactie , want de noodzaak van een basisinkomen is nog allerminst aanwezig.Een basisinkomen voor iedereen is pas te overwegen als er een zo groot structureel tekort aan werkgelegenheid is dat de koopkracht van de bevolking er onder gaat lijden en de mogelijkheden …